Vleermuizen kolonies

0
551
Vleermuizen hangend aan een kerkzolder

Op donderdag 22 februari 1979, een dag waarop de kou de oren van je hoofd, de vingers van je handen en de tenen van je voeten sneed, bezochten we een paar forten in de provincie Utrecht. Deze forten werden omstreeks 1870 gebouwd ter versterking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en waren al verouderd voordat de specie was uigedroogd. Desondanks worden ze nog altijd als militaire objecten beschouwd en verbiedt de generale staf dat hun ligging op kaarten wordt aangeduid. Kennelijk doodsbang dat de Russen erachter komen waar wij onze vleermuizen opslaan.

Nwetering

Het fort De Waalse Wetering, eens een militair steunpunt aan de Nieuwe Hollandse Waterlinie, nu officieel vleermuizenreservaat. Zo’n fort ziet er niet erg comfortabel uit, maar binnen heersen de constante temperaturen die de vleermuizen nodig hebben voor hun winterslaap. Je moet heel zorgvuldig zoeken om ze te vinden, want het zijn maar kleine beesten.

Vleermuizen behoren namelijk tot de weinige levende wezens die van deze monumenten van menselijk vernuft profiteren. Je kon goed voelen waarom. Naargelang je zo’n stoffig verlaten en dik bemuurd fort verder binnenging, liep de temperatuur merkbaar op’.

De meeste Nederlandse vleermuizen zijn ontzettend klein, sommige wegen niet meer dan 4 gram. Bovendien zijn ze nogal bedreven in verstoppertje. Het vereist dan ook een getraind oog om die minuscule bruine balletjes, verscholen in de scheuren in metsel- en stucwerk, niet over het hoofd te zien. Maar we waren op pad met mensen, die met het inventariseren van dit soort overwinteringsplaatsen ervaring hadden, dus dat zat wel goed.

Op zeker moment werd in De Waalse Wetering een baardvleermuis te voorschijn gepeuterd uit een onwaarschijnlijk smalle spleet. Je kon er met je pink niet bij en daarom kwam er een potlood aan te pas. Van de meeste vleermuizen wordt alleen genoteerd tot welke soort ze behoren en waar ze hangen, maar deze had een ring en die moest worden afgelezen.
Tegen het ijle winterlicht waren de vlerken dun en doorschijnend als krantepapier. Je zag de fijnvertakte adertjes en de waanzinnig uitgegroeide vingers. Als wij zulke vingers hadden, zouden ze meterslang zijn (en verdomd lastig met autorijden).

in het fort
In het fort.

Dat het een bejaard beestje was stond meteen vast, want het ringen van vleermuizen werd in ons land al jaren geleden gestaakt omdat veel dieren er verwondingen aan overhielden. Hij (een mannetje, want hij had een piemeltje) bleek op 10 februari 1959 geringd te zijn. In precies hetzelfde fort. Twintig jaar en twaalf dagen eerder was hij dus al eens door mensenhanden vastgehouden, en toen moet hij al minstens een half jaar oud zijn geweest. De oudste baardvleermuis die ooit in Nederland werd aangetroffen! Zonder winterslaap kunnen vleermuizen hier niet leven.

Onze vleermuizen zijn insecteneters en normaal gesproken zouden ze in deze streken de winter niet overleven, omdat de beschikbare hoeveelheid insecten ‘s winters nu eenmaal gering is. Ze hebben dit probleem niet opgelost door in het najaar naar warmere gebieden te trekken, zoals veel vogels, maar door een winterslaap in te stellen. Zonder deze uitvinding zouden grote delen van de wereld voor vleermuizen onbewoonbaar zijn gebleven.
Als de dagen korter worden zoeken vleermuizen plaatsen op met een constante temperatuur, waar de vorst moeilijk kan doordringen. Daar doen ze dan alsof ze koudbloedige dieren zijn. Het lichaam neemt de temperatuur aan van de omgeving, de stofwisseling verloopt uitermate traag, de hartslag daalt van 600 tot 30 à 60 per minuut. Zo kunnen ze het maandenlang uithouden op een vetvoorraadje dat anders in enkele dagen zou zijn verbruikt. Zodra de lichaamstemperatuur onder de 4 graden zakt, worden ze wakker zodat ze tijdig een betere plek kunnen zoeken.

Ondertussen hangen ze op hun gemak aan hun achterpoten. In de spieren daarvan zit een soort vergrendeling, waardoor het hangen geen enkele moeite kost. Mochten ze op één of andere manier toch hun houvast verliezen, dan gaan in een reflex de vlerken open — de vleermuis valt niet, maar glijdt slapend omlaag. Het ontwaken uit zo’n diepe slaap kost een minuut of twintig.

Af en toe maken ze tijdens de winterslaap van een wakker moment gebruik om te paren. De paartijd, in de nazomer begonnen, duurt in de winter voort, maar van bevruchting is dan nog geen sprake, want vleermuizen bevruchten op. termijn. De zaadcellen worden namelijk in het vrouwelijk geslachtsorgaan op een soort speldenkussen gestoken, bewaard en in leven gehouden.

Pas in het voorjaar wordt een eicel geproduceerd en kunnen de zaadjes hun werk doen. Ook daarna nog staan het vrouwtje middelen ter beschikking om het moment van geboorte te beïnvloeden. Bij koud en regenachtig weer kan ze haar temperatuur weer laten zakken en de ontwikkeling van het embryo afremmen. Het is de bedoeling dat de jongen ter wereld komen als de tafel met insecten rijk gedekt is.

De winterslaap schijnt wel een patent middel te zijn om oud te worden. Een gewone muis, die net zo klein is en van hetzelfde voedsel leeft, mag blij zijn als hij anderhalf jaar wordt. Voor een vleermuis is zes jaar niets bijzonders. Eén van de verschillen is dat de vleermuis een groot deel van zijn bestaan in absolute rust verkeert. Dat er weinig roofdieren zijn die vleermuizen kunnen vangen is een andere factor.

Dit verschil in levenskansen weerspiegelt zich overigens meteen in de voor plantings-snelheid. Muizen fokken < lustig op los, een vleermuizenwijfj krijgt maar éen jong per jaar. Inde: daad, voor zover we er iets van beginnen te begrijpen, zit er systeem in de natuur.

De vleermuis brengt je in aanrakin met wonderlijke aspecten van het natuurlijke leven. De winterslaap is er maar één van. In andere jaargetijde is hij niet minder interessant. Er zijn heel wat dagdieren, vooral vogels, die hun maag vullen met insecten en dat moet het voor sommige insectensoorten erg aanlokkelijk hebben gemaakt deze schare veelvraten te ontvluchten door zich in het nachtleven te storten. En daar werden ze dan geconfronteerd met een andere vijand De vleermuis, een zoogdier dat niet aleen heeft leren vliegen, maar zich bovendien van een zintuig bedient dat daglicht tot een volkomen overbodig luxe maakt.

Sonar – een heel typische kijk op de wereld
Vleermuizen gebruiken hun oren als ogen. Door de mond of de neus zenden ze in hoog tempo (voor ons onhoorbare) geluidsgolven uit. De weerkaatsing daarvan geeft hen een nauwkeurig beeld van hun omgeving. Dit systeem heet sonar of echolokatie. Het stelt vleermuizen in staat obstakels te herkennen en prooidieren te identificeren en het werkt perfect want behendiger vliegers dan vleermuizen zijn nauwelijks denkbaar.

Nachtvlinders en andere lichtschuwe insecten kregen dus met een formidabele tegenstander te maken. De natuur begon onmiddellijk de beestjes te selecteren die het best tegen deze bedreiging bestand waren. Bijna alle nachtvlinders zijn harig en wollig, zodat hun lichamen geluidsgolven dempen en een slechte echo geven. Sommige soorten kunnen de vleermuis-sonar horen en laten zich als een baksteen vallen of maken een gekke luchtsprong als ze gewaar worden dat ze in gevaar zijn, want ze hebben maar onderdelen van seconden om te ontkomen. Dan heb je nog de pij lstaartvlinders, die de vleermuis niet alleen kunnen horen, maar ook in verwarring brengen door zijn uitzending te storen met een ultrasonoor geluid.

Een geboren profiteur van de mens
Ongetwijfeld hebben deze verdedigingsacties van de insecten de vleermuizen met de beste sonar-installaties in het voordeel gebracht tegenover minder geslaagde uitvoeringen en zodoende bijgedragen tot de perfectionering van deze apparatuur. Zo werkt de evolutie.

Vleermuizen hangend aan een kerkzolder
Vleermuizen hangend aan een kerkzolder.

Wat de vleermuis mist, en dat is nogal typisch voor een dier met een uitgesproken verborgen levenswijze, is het vermogen zelf holen of nesten te maken. Zijn huisvestingsproblemen hebben hem tot een echte „cultuurvolger” gemaakt, een geboren profiteur van menselijke activiteiten. Nederland zou voor vleermuizen op de wereldkaart een witte vlek zijn als er geen mensen woonden, want natuurlijke woonplaatsen voor vleermuizen kent ons land vrijwel niet.

Veel vleermuizen worden aangetroffen in holle beuken langs lanen die door mensen zijn aangelegd, of knotwilgen die door mensen zijn geknot. De grotten van het Limburgse heuvelland, bekende overwinteringsplaatsen, danken hun ontstaan aan de mergelwinning.
In het midden van het land overwinteren vleermuizen niet alleen in forten, maar ook in de ijskelders van 17-de eeuwse buitenhuizen langs de Vecht.

Deze diepe kelders werden destijds aangelegd om de ijsblokken te bewaren die ‘s winters uit de rivier werden gehakt. In deze antieke ijskasten is het ‘s zomers koel, maar in de winter relatief warm. In de duinen bij Wassenaar leggen vleermuizen meer en meer beslag op de bunkergangen die daar door de Duitsers werden achtergelaten. Deze betonnen constructies stonden op de nominatie om vernietigd te worden en waren voor een deel ook al volgestort met zand voordat Staatsbosbeheer voor de vleermuizen in de bres sprong. Nu worden ze emmer voor emmer, meter voor meter door vrijwilligers leeggehaald.

Van oudsher zijn ook kerken bij vleermuizen geliefd. In de schemering onder de leien daken, waar de zon een verschroeiende hitte kan veroorzaken, richten ze graag hun kraamkamers in, dat wil zeggen dat ze daar hun jongen ter wereld brengen en gedurende de zomermaanden de dagen doorbrengen. En verder zijn vleermuizen beslist niet afkerig van spouwmuren en zolders van gewone woningen, waar ze zowel ‘s zomers als ‘s winters kunnen verblijven.

De verspreiding van de mens over de hele wereld heeft al met al niet weimm bijgedragen tot het succes van de vleermuis. Dat betekent ook dat hij nogal van ons afhankelijk is.

De giframp in Berlikum
In ons land komen 17 vleermuissoorten voor. Met sommige gaat het redelijk goed, de baardvleermuis bijvoorbeeld vertoont al jarenlang een gestage vooruitgang, met andere echter slecht. In het laatste geval betreft he merendeels soorten die hier aan d rand van hun verspreidingsgebied leven en daardoor gevoelig zijn voor d kleinste veranderingen in klimaat, milieu, voedselsituatie en overwinterings-mogelijkheden. Het is razend moeilijk en erg tijdrovend om in zulk situaties uit te maken wat de beslissende factor is. Omdat er in Nederland nauwelijks in wetenschappelijk onderzoek naar vleermuizen geïnvesteerd wordt, valt er weinig zinnigs over te zeggen.

Tot de interessantste soorten behoort de meervleermuis, waarvan in het begin van de jaren ’50 in Friesland enkele kraamkolonies ontdekt werdei Daarvóór was alleen bekend dat meervleermuizen overwinterden in grotten in de Eifel en de Ardennen. Nadat er een ringonderzoek was gestart kwamen er aanwijzingen dat ze in het voorjaar naar het noorden trekken. Dode beesten werden namelijk teruggemeld langs rivieren en kanalen in noordelijke richting. Het duurde echter tot een ring werd gevonden op een Fries kerkhofje voordat de eerste kraamkolonie kon worden gelokaliseerd. Zo’n kolonie kan daar makkelijk al een paar eeuwen geweest zijn en de plaatselijke bevolking wist natuurlij best dat er vleermuizen in de kerk zaten, maar had er niets bijzonders in gezien. Je moet maar net weten dat die beestjes meervleermuizen zijn en dat de dichtstbijzijnde kraamkolonie van deze soort buiten onze grenzen zich in Rusland bevinden.

Iets aparts
Bij alle vleermuizen zijn winterverblijven en kraamkamers gescheiden, maar voor geen enkele Nederlandse soort liggen ze zo ver uit elkaar als voor de meervleermuis. Tussen het waterrijke Friesland en de grotten van Eifel en Ardennen legt deze twee maal per jaar ongeveer 600 kilometer af. Toch trek dus, maar geen vogeltrek, want de meervleermuis houdt in het laaggebergte wel degelijk gewoon zijn winterslaap.

In totaal werden in Friesland een stuk of tien kraamkolonies van meervleermuizen opgespoord. De meeste zijn ondertussen door de restauratie van de kerken verloren gegaan. Het meest geruchtmakende geval deed zich voor in de fraaie koepelkerk van Berlikum, waar bij de werkzaamheden alles was gedaan om de meervleermuizen te ontzien, tot in ’77 per abuis een uiterst schadelijk conserveringsmiddel werd gebruikt voor het houtwerk. In dat jaar (en ook in ’78 nog) werd een massale sterfte onder de jonge vleermuizen geconstateerd.

De laatste ongeschonden kolonie bevindt zich nu in Tjerkwerd. Daar hangen de meervleermuizen in juli in grote trossen tegen de balken die het dak schragen. Het zijn er zes- tot zevenhonderd, die zich in die broeikas in hun element voelen. In de avonduren drommen ze naar buiten om zich langs een vaste route door het dorp naar een kanaal te begeven. Dan zwermen ze uit om vlak boven het water van de brede vaarten hun voedsel te vergaren en pas tegen het morgengloren weer terug te keren. Meervleermuizen fourageren uitsluitend boven waterwegen en dat zal hun voorkeur voor de provincie Friesland wel verklaren.

Vleermuizen zijn ongelooflijk traditioneel ingesteld. Ze overwinteren iedere winter op dezelfde plaats, aan dezelfde spijker soms. Toen de kerk in Berlkum gerestaureerd werd, zaten er metersgrote gaten in het dak, maar de vleermuizen bleven een piepkleine uitvlieg-opening gebruiken bij de dakgoot. Dit conservatisme heeft het voordeel dat wordt vastgehouden aan gewoontes die hun nut hebben bewezen. Het nadeel is echter dat vleermuizen zich moeilijk aanpassen aan veranderingen. Gaat een kerk als verblijfplaats verloren, dan gaat de kraamkolonie verloren, want ze kunnen niet van het ene jaar op het andere een nieuwe plek uitkiezen.

De knechten van de duivel zijn nu beschermde dieren
Erg populair zijn vleermuizen nooit geweest. Ze werden in één adem genoemd met heksen, vampiers en spoken. Ze werden beschouwd als handlangers van de duivel, bondgenoten van het kwaad en boodschappers van de dood. Ze werden niet gespreide vleugels op deuren gespijkerd om satan te bezweren. In minder (bij-)gelovige kring golden ze toch altijd nog als vieze, enge, griezelige creaturen.

Nu beseft men meer en meer dat vleermuizen een wonderlijke en zeer succesvolle uitvinding van de natuur zijn. Fossiele vondsten tonen aan dat 60 miljoen jaar geleden al vleermuizen over de aarde vlogen. Op de hele wereld zijn 900 tot 1000 soorten. Er zijn insecteneters onder, maar ook vruchteneters, sommige zuigen bloed, andere honing, enkele soorten hebben zich toegelegd op het vangen van vis, andere jagen op… vleermuizen!

Ook in ons land nemen ze een belangriike plaats in bij een aantal natuurlijke processen en wordt het nu de moeite waard gevonden ze te behouden. Twee van de Utrechtse forten zijn aangekocht door het ministerie van CRM en worden door Staatsbosbeheer als vleermuisreservaten beheerd. Dat betekent niet dat er veel aan gebeurt, maar wel dat ze volledig als overwinteringsplaatsen ter beschikking staan. Bij de restauratie van kerken wordt tegenwoordig met vleermuizen zoveel mogelijk rekening gehouden. Dat kost geld, want dat betekent dat er voornamelijk  gewerkt moet worden als er geen vleermuizen zijn, in de winter dus. Bij het conserveren van hout moeten blauwzuurgassen gebruikt worden en geen gechloreerde koolwaterstoffen, zoals in Berlikum. De uit-vliegopeningen moeten zorgvuldig in stand worden gehouden. De gemeente Ede heeft de aanleg van een weg jarenlang opgehouden omdat het geprojecteerde traject een aantal bomen kruiste waar vleermuizen in huisden.

Landschap
Meervleermuizen jagen uitsluitend boven water op insecten. Dit landschapsbeeld kan hun voorliefde voor de provincie Friesland verklaren.

De wetgever heeft de vleermuis in de natuurbeschermingswet opgenomen en tot beschermd dier verklaard. Je mag ze niet verstoren of verjagen, laat staan doden. Wie vleermuizen in zijn huis aantreft doet er goed aan zich te realiseren dat de wettelijke bescherming van deze dieren beter geregeld is dan die van huurders. En dat daar redenen voor bestaan. De meeste mensen zijn er nu ook wel van te overtuigen dat ze met vleermuizen niet iets smerigs, maar iets bijzonders in huis hebben. Ze kunnen met des te meer recht spreken over „onze” vleermuizen.

Met dank aan dr. A. M. Voute en drs. R. Ridder

LAAT EEN REACTIE ACHTER