Godefredus Sopingius

0
452
brief1

Sibrandus Siccama, medestudent van Ds. Sopingius schreef na het overlijden van Sopingius een brief aan Aysma. Aysma was Professor aan de Universiteit van Franeker, waar Sopingius had gestudeerd.

Brief uit 13-2-1616 van Siccama aan Aysma

Brief over leven en dood van de doorluchtige Doctor en eerwaarde heer Godefredus/Goffe Sopingius, predikant te Bolsward, aan de zeer doorluchtige en edele Taecke van Aysma.

Ik twijfel er niet aan, zeer doorluchtige heer, of het droeve en onverhoopte bericht van het overlijden van de zeer geleerde en eerwaarde heer Godefredus Sopingius, zeer trouw dienaar van onze kerk, heeft u tranen ontlokt. Gij hebt hem vereerd als vriend en medestudent, hem geëerd als een uitstekend dienaar van Christus, en in het achtmanschap van de provinciale synode meer dan eens als collega. Dezelfde redenen tot verering zijn er bij mij. Tegelijk immers hebben wij in het heilige Athenaeum te Franeker, ik in het burgerlijk recht, beiden ons geoefend in de schone letteren, vervolgens gedurende al die 13 jaar in deze vaderstad ik hem als een zeer geleerd Doctor in de rechtzinnige en hervormde theologie, hij mij als een vriend met een wederzijdse vriendschap. Een regelmatige en bijna dagelijkse uitwisseling vond plaats, wanneer hij na de kerkelijke zorgen, ik na de stedelijke werkzaamheden de gemeenschappelijke studiën en wat de klassieke schrijvers betreft verbeteringen, de gevolgde opvattingen en plechtigheden vergeleken. Maar dit zijn persoonlijke gevoelens, maar staat en kerk wat hebben ze een ontzaglijke schade geleden bij de dood van een zo groot man of zo te zeggen het vertrek van iemand wiens gelijke Friesland nauwelijks ziet en in wie alleen gaven en deugden, die van een kerkdienaar vereist worden, het hoogste gerechtelijk protocol schijnen bereikt te hebben. Derhalve heb ik rechtens de persoonlijke vriendschap en om het algemene verdriet te lenigen het leven van een zo groot man, zijn gewoonten en studieën in een korte brief aan u te vertellen en onder toezicht van uw naam, zeer edele Aysma, te publiceren aangedurfd. Niets anders zal ik zeggen dan wat al te waar is en mij bekend uit langdurige ondervinding. Door deze uiterste daad van piëteit worde gegeven, dat ofschoon hij die langer lijkt te leven niet volledig wordt beschreven, wij tegelijk de herinnering aan de overledene koesteren, verlengen.

Goffe Sopingius is geboren in Weener in de regio Overledingen in het graafschap Oostfriesland, waar zijn vader als banneling om geloofsredenen de verspreide leden van Christus in een geloofsgemeenschap bijeenbracht. Geboren is hij in het jaar 1573 na Christus volgens de Juliaanse kalender, op 16 september de dag vóór Lambertus, op het hemeluur dat de astrologen waarnemen als het 19de dat volgens burgerlijk gebruik op het vierde uur valt. Als vader had hij Nicolaus Sopingius, burger van Groningen, een door geleerdheid, welsprekendheid en vroomheid achtenswaardig man, die nadat hij Weener verlaten had, naar Greetsiel[?] in dezelfde provincie beroepen was. Vandaar rond 1579 door de Utrechtse kerk beroepen, heeft hij zich daar te Utrecht gevestigd en met de eerwaarde theoloog van allergrootste naam Jan Uittenbogaard en andere collega’s de zaak van de Nederlandse kerk t.b.v. de strijdkrachten bevorderd tot 1590. Na de inname van het Brabantse Breda door de zeer illustere en roemrijke vorst Maurits is hij op beslissing van de provinciale synode daarheen overgeplaatst, waar hij trouw de kerk en Christus gediend heeft, maar iets meer dan twee jaar later zijn laatste dag afgesloten heeft. Moeder [van de overledene] was Asselia, Laurentius’ dochter, een zeer eervolle dame, thans nog te Breda levend, die hem als eersteling heeft gebaard. Zijn vader, ofwel uit een voorgevoel van een wiskundige, die de horoscoop van zijn zoon had bekeken en als hij zich op de studie zou toeleggen, voorspeld had dat hij een belangrijk filosoof zou worden, of hij heeft bewogen, wat geloofd behoort te worden, door godsdienstige dankbaarheid jegens God, zijn eerstgeboren zoon aan God en de kerk gewijd, zoals hij mij zelf vaak verteld heeft.

De eerste leerjaren in de letteren bracht hij te Utrecht door in de leer aan de Hieronymusschool zoals ze die noemen. Op zijn jonge leeftijd schitterden uitstekende tekenen van genie, bescheidenheid en vroomheid, zodat hij zelfs zijn kameraden met voorbeeld voorging. Indertijd vervulde te Utrecht het rectorsambt de zeer geleerde theoloog en in de Griekse letteren zeer doorknede Johannes Arcerius Theodoretus, aan wiens onderwijs vader hem zeer nauw had toevertrouwd, en met niet minder genegenheid heeft Arcerius de leerling om diens uitstekende geestelijke gaven omarmd, en hem bij zich gehouden tot 1587 toen Arcerius met een diploma van de Friese Staten tot het hoogleraarschap in de Griekse taal beroepen is. Godefredus/Goffe bleef vervolgens bij zijn vader en op dezelfde school een of anderhalf jaar; daarna door zijn leermeesters voor waardig gehouden om naar de universiteit te worden gezonden, is hij Arcerius gevolgd die de Griekse taal aan de universiteit van Franeker onderrichtte, en door hem in het huisgenootschap van zijn zonen, maar met een eigen kamer, opgenomen. Daar begon hij met Arcerius’ zonen, [Johannes] Isac[i]us Pontanus, de doorluchtige die nu bij de Harderwijkers wijsbegeerte onderricht, de klassieke Romeinse literatuur en de Griekse letteren, zoals hij die te Utrecht aangevat had, met nog intensievere ijver te vervolgen, de tekstkritiek die toentertijd als het ware onder aanvoering en voorzitterschap van de zeer vermaarde Justus Lipsius in de Nederlanden opbruiste, te omarmen, ja zelfs te proberen gedichten te schrijven. In het huis van Arcerius woonden behalve de zonen Johannes en Sixtus, van wie de een te Altona onder Hamburg als predikant optreedt van de Nederlandse kerkgemeente, de ander te Franeker de Griekse taal en Hippocrates uitlegt, onze Sopingius, [Johannes] Isaacius Pontanus, die ik al eens genoemd heb. Daarbij kwamen dagelijks de vermaarde jurist Thomas Herbajus, tijdens zijn leven advocaat fiscaal, en de kundigste der medici R. Klingbijl, nadien Hippocratisch hoogleraar en andere studenten, die nu mijn geheugen ontgaan. – Indertijd ging ik het burgerlijk recht met vurige ijver en onvermoeibare inspanning na, zij vormden een college en genootschap met bepaalde straffen en wetten, waarbij er één enkele weken voorzitter was, de overige dagen in de middaguren, wanneer ze de gewoonlijke studie achter de rug hadden, een of andere spreuk van een wijsgeer, dichter of geschiedschrijver, bezig waren voor de vuist weg te verklaren, niet zelden ook aan de deurpost van de (zitslaap)kamer, waarin ze bijeenkwamen, een of ander Romeins spotschrift aanbrachten, dat de overigen met grote ijver om strijd beoordeelden of opnieuw formuleerden. Zo was het huis van Arcerius een thuis van de Muzen, vonden er meer private oefeningen plaats dan openbare lessen van sommigen. Ze namen namelijk weer in gebruik het plechtige voordragen van de ouden, dat Plinius, Quintilianus, Martialis en anderen zozeer prijzen. Ach mocht toch bij decreet van de curatoren die gewoonte weer algemeen gebruik worden tot nut van het algemeen; zodat de studenten, althans de alumnen, zich oefen(d)en in private voordrachten! We zouden voorwaar mensen hebben die de grootsten kunnen evenaren, aan welke we nu groot gebrek hebben. – Nadat hij bij deze dagelijkse oefeningen in beide talen boven verwachting vorderingen gemaakt had, legde hij zich uiteindelijk in alle ernst toe op de studie van de heilige godgeleerdheid onder de vermaarde hoogleraren Martinus Lydius, Henricus Antonides en Sibrandus Lubbertus het vooraanstaande driemanschap van de theologische faculteit en omdat hij van oordeel was weinig vooruitgang te kunnen boeken, als hij niet ook Hebreeuws leerde – hij wilde immers geen oppervlakkig godgeleerde zijn, zoals er tegenwoordig velen zijn, die alleen uit commentaren hun kennis hebben – voegde hij de studie van de heilige taal onder leiding van de vermaarde Johannes Drusius, hoogleraar in die taal, bij wie hij zo grote vorderingen maakte, dat hij al begon te schitteren met algemene faam van geleerdheid, vroomheid en bescheidenheid, en op aller wens werd bestemd tot de kerkdienst, waartoe zijn vader hem had toegewijd.

In 1595 is hij derhalve door de kerkenraad geëxamineerd, en door de kerk van Tjerkwerd beroepen heeft hij daar zijn proeftijd in het allerheiligste ambt afgelegd. In 1596, op 17 september, de dag na zijn verjaardag, toen hij zijn vierentwintigste jaar inging, trouwde hij met dochter Rixt van de predikant Henricus Bernardi, die hij bijzonder lief heeft gehad en met zeer innige dierbaarheid heeft bejegend, bij wie hij twee kinderen heeft gekregen en tegelijk verloren omdat geen van hen lang heeft geleefd. In 1597 is hij met instemming van de Bolswarder classis overgeplaatst naar het rectoraat van de drie kerken van Schettens, Longerhouw en Schraard, alwaar hij verkeerd heeft met zo’n grote s in het onderrichten en zo’n grote rechtschapenheid van leven, dat er niet alleen door verschillende beroepingen aan hem werd getrokken, maar hij uit ongelofelijke bescheidenheid en een minderwaardigheidsgevoel ze allemaal heeft afgewezen, en hij liever zijn kerk, waarvan hij het bestuur op zich had genomen, wilde beschermen en tegelijk zijn faam als bescheiden man, dan vette beroepingen na te jagen, zoals de meesten tegenwoordig doen.

Eerst in 1602, toen de kerk van Bolsward door onderlinge meningsverschillen verdeeld werd, en het zaad van tweedracht en de onbeschaamde ijver van partijen niet geduld konden worden, tenzij beide kerkdienaren ontslagen werden, is alleen deze, de onze naar het oordeel van magistraat en vroedschap en als het ware met algemene stemmen van de burgers waardig geacht, de kerkvrede en eendracht onder de burgers te herstellen. Al vijf jaar eerder was dezelfde beroeping uitgegaan, maar had hij zich verontschuldigd, als ware hij ongeschikt voor een dergelijke opdracht, al te zeer zijn deugden en talenten verbergend en ontkennend, die anderen uit ambitie opdringen. Nu echter heeft hij op aandringen van grote mannen en ofschoon hij verwachtte te zullen moeten aarzelen uit de zaak van de kerk, toch het aanbod aanvaard eind herfst 1604 en zijn huisgezin naar ons overbrengend begon hij langzamerhand de vrede Gods onder een gelukkig voorteken in onze kerk te brengen, de slecht samengaande geesten te verzoenen, de aanleiding van de haat te verzachten, waarbij hij een bewonderenswaardig gelijkblijvend geduld en boven verwachting van alle weldenkenden een bescheidenheid aan de dag heeft gelegd evenzeer als hij dienst heeft gedaan gedurende de 13 jaar dat hij bij ons heeft geleefd. Behalve de vroomheid en welsprekende geleerdheid die vereist zijn bij kerkdienaren, streden bij hem de voorzichtigheid en bescheidenheid, allerzeldzaamste deugden van onze eeuw, dankzij welke hij niet alleen vreedzaam en omzichtig aan het hoofd stond van onze kerk, maar ook beroemd in de Nederlandse provinciën is gebruikt voor de zwaarste kerktaken. Tweemaal is hij naar Den Haag gestuurd om kerktegenstellingen te verzoenen en de dissidente geesten van sommigen terug te voeren tot overeenstemming van geloof. Dikwijls is hij per brief door privépersonen, dikwijls door vergaderende classes van kerkdienaren geraadpleegd, en hebben zij zijn kundige oordeel gelukkig gebruikt, wat hem van nature als geschikt en schrander te beurt viel en hij door lange ervaring door kennis van de oude kerkgeschiedenis had bevestigd.

In 1609 hebben enige vrienden en voorname lieden in de stad, die zijn veelzijdige geleerdeid hadden erkend, hem op eigen titel maar niet tegen de wil van het stadsbestuur voor het rectoraat van het Leeuwarder gymnasium uitgenodigd met een flink salaris, maar om verschillende redenen en met zijn kleinheid als voorwendsel heeft hij bescheiden bedankt. In 1614, na de dood van de eerwaarde, zeer geleerde Henricus Antonides, hoogleraar in de godgeleerdheid, is hij samen met de zeer vermaarde en geleerde dienaar van de Leeuwarder kerk Johannes Bogerman beroepen tot dat hoogleraarschap. Lang overlegde hij, omdat hij van nature een draler was en hem voorzichtige met overleg genomen besluiten liever waren dan overhaaste bij toeval, ofschoon hij dagelijks door menigvuldige brieven van vooraanstaande lieden zelfs uit aangrenzende provincies dringend verlangd werd. Uiteindelijk met een brief van de doorluchtige president van het Provinciale Hof en van het aanzienlijke college van de Friese Staten is hij zowel mondeling in de illustere zitting van hen om het heil van kerk en universiteit bezworen als met de eerwaarde heer Johannes Bogerman in zoverre tot overeenstemming gekomen, mits hij van zijn kerk en classis eervol verlof kon krijgen. Meer dingen zijn bij die beroeping voorgevallen, waarvan het raadzaam is ze in stilte over te brengen dan hier te verhalen: laat dit voldoende zijn, dat het door de goddelijke voorzienigheid toen met officieel protest van kerk en burgers gebeurd is, dat hij ofschoon bovendien zoveel aanzienlijke personen tussenbeide kwamen, toch het bericht van de zo eervolle beroeping terugstuurde: zodoende hield hij nadien altijd, gedurende zijn hele leven zijn bescheidenheid, en bleef hij tot nut van het algemeen gewoon burger zonder staatsambt.

Door de strekking van een zo gelijkmatig en constant leven, door de integere en ongerepte faam is hij dankzij alle goeden, nadat hij 13 jaar en meer onze kerk is voorgegaan in wijsheid en voorbeeld, ronduit onverwacht toen hij nl. met collega Godschalk Aeltius van een wandeling dichtbij de stad terugkeerde, door die slepende en dodelijke vierdedaagse koorts bevallen op 6 oktober na de middag en acht weken lang door de slepende ziekte aangedaan. Zodra hij de voortekenen van de ziekte gevoeld had, voorspelde hij dat zijn laatste uur naderde uit de woorden, en zelfs enige tekens die hier te verhalen wat heeft het voor nut; en ofschoon hij het voor vrienden die hem zagen niet verborg, hield hij het voor zijn vrouw met grote ijver geheim. De eerste koortsaanval is zeer licht geweest, en als hij niet door de tweede en derde aanval verzwakt was geweest – zo schrijft hij eigenhandig in zijn dagboek – had hij de ziekte nauwelijks geloofd, en langzamerhand verergerend heeft die zijn toch al zwakke krachten zozeer aangedaan, dat hij nadien slechts eenmaal gepreekt heeft, op 13 november na de middag, de 16de, 17de en 18de vraag van de catechismus over de beide naturen van Christus uitleggend met zeer zwakke en bijna wegvallende stem en gebaar. Vervolgens begaf hij zich naar huis en is hij niet meer in het openbaar gezien.

Gedurende de gehele ziekte vertoonde hij geen enkel teken van pijn, ongeduld of vrees, altijd zichzelf, niets anders verzuchtend dan Ik wil verlost worden en bij Christus zijn. Eveneens, gevraagd hoe hij zich voelde, antwoordde hij meestal met de psalm In hoop en stilte. Ook: Heer ik zal zwijgen, gij zult handelen. Bezoekende vrienden, familieleden en ouderlingen bezwoer hij de kerkvrede en eenheid van het rechtzinnige geloof te bewaren. Toen zijn laatste uur was gekomen en de koortsaanvallen nu als het ware heen en weer gingen, hebben, om één uur ‘s nachts geroepen, collega Aeltius, de zeer edele Gerrold van Camminga, rector Henricus Antonides, ikzelf en anderen – aanwezig was ook zijn broer Adolf Sopingius en dienaar Henricus Ostellanus – hem reeds bijna wegvallend aangetroffen, hoewel geheel bij verstand, en met gebeden zijn collega als het ware toemompelend, met de ogen en met knikken aangevend dat hij begreep en bad. Nadat hij zo bijna drie uur met de dood had geworsteld onder verzuchtingen van zijn vrouw en vrienden, heeft hij de tranen en goddelijke geest vredig uitgeademd op de laatste dag van november, 15 minuten na vier uur ‘s morgens – wanneer hij bij leven en welzijn zijn plechtige studie begon – nadat hij geleefd had 42 jaar, 2 maanden en 14 dagen. Nadat we de alleronschuldigste geest met wensen en gebeden begeleid hadden, zijn we niet zonder tranen weggegaan, en hoewel zeer verward heeft toch de grote smart en droefheid mij onderweg naar huis dit gedicht, hoe het ook zij, ontlokt: Hemelse heerscharen die een gouden deugd over een schitterende melkweg naar de sterren heeft vervoerd, fonkelen als morgensterren terwijl de hemel nog zwijgt en de rozige dag nog niet wil komen. Aanvaardt deze ziel en vermeerdert het tal vromen. Laat handen klappen ook het hemelse volk voor de nieuwe held. Want zij schitteren als sterren aan de hemelse pool die tot rechtvaardigheid volkomen de weg hebben gewezen. Ook aan deze behoort de erepalm van de sterrenkroon toe die van geloof en rechtvaardigheid een opperpriester is geweest.

Hij was eerder klein van stuk dan middelgroot, had een blank gelaat, een breed voorhoofd en straalde een bescheiden ernst uit, hij had maar weinig, enigszins wit wordende baard, zijn gang was iets zwaar en deftig ingehouden. Hij had een gedrongen lichaam en was volledig gezond, want gedurende zijn gehele leven is hij nooit van een ziekbed opgestaan, des te meer heeft hij jegens deze langzame vierdedaagse koorts argwaan gekoesterd.

Over zijn goederen en bibliotheek had hij al zeven jaar geleden met zijn echtgenote een zogenaamd wederkerig testament gemaakt. Zijn handschriftelijke werk heeft hij in drie klassen onderscheiden en aan zijn vrienden heeft hij de polemische geschriften beloofd ofwel opdracht gegeven die over de tegenstellingen in geloof en godsdienst aan de eerwaarde en zeer vermaarde godgeleerde Sibrandus Lubbertus en de alleraardigste collega Godschalk Aeltius te laten overhandigen, om ze als het hun goeddunkt te verbeteren en uit te geven. De leerstellige geschriften heeft hij vermaakt aan zijn vermaarde broer Adolf Sopingius dienaar te Longerhouw. De tekstkritische opmerkingen en verbeteringen van klassieke auteurs – waaraan we wederzijds gewerkt hadden – heeft hij mij willen doen toekomen als een gedenkteken van onze oude en niet aflatende vriendschap. Veel heeft hij geschreven maar weinig afgemaakt, behalve dit geschrift dat wij nu uitgeven ter ere en verdediging van zijn leermeester die hij als een plaatsvervangend vader vereerd heeft; de laatste hand heeft hij er niet aan kunnen leggen. Zoals hetgeen Plinius over cajus Fannius heeft geschreven meen ik dat er over onze Sopingius en zijn geschriften gezegd kan worden: Mij schijnt altijd bitter en te vroeg de dood van hen, die iets onsterfelijks voorbereiden. Immers zij die zich aan begeerten hebben overgegeven en als het ware van dag tot dag leven, beëindigen dagelijks de redenen waarom ze leven; zij echter die aan het nageslacht denken en de herinnering aan hen door hun werken verlengen, voor dezen is geen enkele dood plotseling, aangezien die altijd iets afbreekt wat begonnen is. Evenzo is het leven voor ons nog toereikend om te schitteren zodat de dood zo weinig mogelijk vindt wat hij kan vernietigen.

Van zijn geschriften die we in kisten gevonden hebben, anekdotisch zijn en meest ongeordend en niet gecorrigeerd, laten we hieronder een lijst volgen.

Polemische geschriften;

  •  Kritiek op de Exegese van Coenraad Vorstius, voltooid.
  •  Proef-stuck van de nieuwe en valsche leeringhe etc., voltooid.
  •  Over de geloofstegenstellingen van deze tijd.

Dogmatische geschriften

  •  Eeuwigdurende preken over de eerste 13 hoofdstukken van Mattheus
  •  Preken over de christelijke leer
  •  Plechtige preken over de jaarlijkse feestdagen
  •  Verschillende aantekeningen bij enkele plaatsen uit de H. Schrift

Kritische geschriften

  • Verbeteringen bij enkele boeken van Jamblichus en afzonderlijk aantekeningen bij Jamblichus’ boek over het leven van Pythagoras en bij zijn Opwekking tot de beoefening van de filosofie.
  •  Topografie van Attica en Athene.
  •  Hesychische lessen ofwel verbeteringen bij de drie boeken van Hesychius, voltooid.
  •  Enkele boeken met opmerkingen en verbeteringen, maar ongeordend.
  •  Aantekeningen bij Siderius Apollinaris, voltooid en aan mij opgedragen/toegezegd.
  •  Aantekeningen bij en verbeteringen op de glossen van Isidorus.
  •  Aantekeningen bij Eustathius de grammaticus.
  •  Catalogus van treur- en blijspelen, een klein en onbeduidend werkje.

Zodanig en zo groot is onze Sopingius geweest, zeer edele Aysma, met wiens deugden en studiën opsommen we hier zullen stoppen, we zullen nl. de wijze en de bescheidenheid die hem eigen was in acht nemen. Moge hij nu in de hemel van de eeuwige gezegendheid genieten, moge hij hier in de gehele herinnering van het nageslacht leven en ofschoon die geleerde en schitterende tong nu zwijgt, spreekt hij toch en zal hij blijven spreken door zijn geschriften in de kerk Gods zolang die er zal zijn. Onze kerk heeft een zeer grote troost, onze kerk die zo’n groot man zo lang heeft gehad: maar laten we bedenken dat hij sterfelijk is geweest, en laten we er bij God op aandringen dat hij ons iemand zo niet gelijk aan Sopingius, dan toch zeer dicht bij zijn deugden komend als opvolger schenkt. Met deze wens eindig ik en groet ik u, zeer edele Aysma.

Bolsward, uit mijn studeerkamer, 13 februari 1616.

Uw Sibrandus Siccama

LAAT EEN REACTIE ACHTER